Afgelopen zondag werd de derde editie van DUF gelanceerd, volgens De Volkskrant ‘het leukste en grapdichtste jongerenblad van Nederland’. Voor deze editie hebben Jaap Robben en ik een cursus demoniseren gemaakt. Want laten we wel wezen: je kunt wel wachten met anderen neer te halen, maar voor je het weet ben je zelf het zwarte schaap. De aanval is vaak de beste verdediging. Aan het eind van de cursus weet je precies wie je moet demoniseren, hoe je moet demoniseren en -het belangrijkste- hoe jij er de vruchten van kan plukken.
Een gratis tip: maak nooit iemand zwart waar je afhankelijk van bent. Er zijn bijvoorbeeld heel veel redenen om je ouders te demoniseren, maar zolang ze je zakgeld betalen, kan je je beter koest houden.

DUF3 is hier te bestellen.

Advertenties

Daar zit hij dan, achter de kaptafel van zijn vrouw. De basisgrime op zijn gezicht. Met vaste hand probeert hij een lijntje onder zijn ogen te maken. Gisteren was hij schichtig de binnenstad van Roermond ingegaan voor schmink en pepernoten. En om crepepapier te kopen voor zijn kraag.
Toen hij vorige maand aftrad als wethouder, na beschuldigingen van corruptie en vriendjespolitiek, dacht Jos van Rey direct aan deze dag. ‘Hoe moet het nou met de intocht van Sinterklaas?’ Hij kon zich niet voorstellen dat hij daar niet bij aanwezig zou zijn. Het was nota bene zijn eigen verdienste dat de goedheiligman dit jaar voor Roermond gekozen had. Deze zomer had hij Sinterklaas twee weken ontvangen in de villa van een bevriende projectontwikkelaar in Saint-Tropez. Hij had de vlucht van de Sint uit eigen zak betaald en echt zijn best gedaan om hem een onvergetelijke vakantie te geven: chique diners, dure cognac, bunga bunga-meisjes, aan alles was gedacht. Sint-Nicolaas nam het ervan dat het een lieve lust was. En Van Reij deed mee. Niet omdat hij ervan genoot, maar voor de stad. Alles voor de stad.

Daar staat hij nu. Een maillot aan, een pofbroek en een pruik met een veer op zijn hoofd. Hij kan het niet laten, hij moet erbij zijn. Voor hij vertrekt, zet hij nog even de televisie aan. Hij ziet burgemeester Van Beers en hoort… Wat hoort hij nou? Grote God, nee toch. Het paard van Sinterklaas is zoek! De burgemeester zegt tegen de verslaggever dat alles heus wel goed komt, maar hij ziet Van Beers wanhopig denken: ‘Waar zou Jos zijn? Zonder Jos zijn we nergens.’
Dan voelt Van Rey die oude energie door zijn lijf stromen. Hij kijkt in de spiegel en ziet zichzelf weer staan: Superjos. Hij rent naar buiten en begint te bellen. Een manage, een fokker, een slager. ‘Die uitbouw komt er, dat beloof ik.’ ‘Die vergunning om ook nertsen te fokken, die regel ik voor je.’ ‘Koopzondag? Tuurlijk, zorg ik voor.’ Het werkt nog steeds. Over vijf minuten zullen er drie witte paarden voor hem klaarstaan en mag hij de mooiste uitkiezen. De intocht is gered. En Roermond ook.

Als Jos ’s middags thuiskomt is hij opgelucht en tevreden. ‘Ik ben er nog’, weet hij, terwijl hij weer achter de kaptafel gaat zitten. Dan bedenkt hij dat hij niks gekocht heeft om zich mee af te schminken. Een grote glimlach verschijnt op zijn gezicht. ‘Dan maar niet,’ grinnikt hij. ‘Want als Ritselpiet kan ik de komende weken nog veel voor deze stad betekenen.’

Deze week stond er in VNG Magazine een artikel over de theatertraining die ik geef. Het is hier te bekijken.

Column: Vergeten

04/11/2012

Aan het eind van de middelbare school kreeg ik een baantje in een verzorgingshuis. In de weekenden zag ik als receptionist alle soorten oudjes langs mijn balie gaan: verzorgd en slonzig, vriendelijk en bits, sociaal en gemeen. En ook mensen die de weg volledig kwijt waren. Ik denk aan een vrouw die haar kleren altijd heel zorgvuldig opvouwde om ze daarna in de koelkast te leggen. Of aan een ander die me steevast vroeg of ik nog naar Rotterdam moest en of ze niet een eindje mee kon rijden. ‘Want ik hoor hier niet, begrijpt u wel?’ En de man die elke dag zijn jas kwijt was. ‘Misschien ligt ie op uw kamer,’ probeerde ik dan. Een kwartier later kwam hij terug. ‘Nou, ik heb hem hoor,’ riep ie, terwijl hij triomfantelijk een steelpan omhoog hield. ‘En uw jas?’ ‘Tsja, waar is mijn jas?’

Toen ik deze week op zoek ging naar mijn exemplaar van ‘Hersenschimmen’, kwam ik een boek tegen dat ik nog nooit opengeslagen had: ‘Herovering van het paradijs’. Ik heb het jaren terug cadeau gekregen van mevrouw Knop, een klein en gebogen Indisch vrouwtje uit het verzorgingshuis dat met een scherpe, hoge stem de vreemdste dingen door de hal riep. ‘Ik ben de gelaarsde kat, Patrick. De gelaarsde kat.’ En: ‘Mijn opa was een Hollander, ja!’ De ergste was: ‘Ik heb geneukt, geneukt Patrick. Zonder kapotje.’ De eerste keren dat ik dat hoorde, begon ik meteen ‘Stttt, stttt, mevrouw Knop’ te roepen, maar na verloop van tijd raakte ik eraan gewend en vond ik het wel vermakelijk. Als ik het kleine vrouwtje uit de lift zag komen, vroeg ik: ‘En mevrouw Knop, nog geneukt?’

Ik heb nooit meer aan haar gedacht. Ook niet aan haar kamer die helemaal vol dozen en uitgeknipte krantenartikelen lag. Nu ik het boek opensla, zie ik dat op elke pagina tekstflarden geschreven staan. Over ‘roots’, ‘gezond verstand’ en ‘chimpansees’. En over seks en Japanners. En nog eens over seks en Japanners, en nog eens. En op elke pagina staat mijn naam, vaak met het telefoonnummer van een omroep of krant erbij. Schreeuwende hersenschimmen, vol wanhoop.
Destijds was ik jong. Ik begreep haar niet en was behept met de kunst van het afschuiven, zoals veel mensen in de zorg. En nu? Nu ben ik eigenlijk niet geïnteresseerd. Toen gisteren bekend werd dat de Japanse overheid de ‘troostmeisjes’ uit de geschiedenisboeken wil wissen, haalde ik mijn schouders op.

Blijkbaar bestaat de geschiedenis van het vergeten niet alleen uit dementie, maar ook uit bewuste manipulatie en uit onverschilligheid. Zegt u het maar, wat is het ergst?